Lay lady lay
Als zij straks de dunne lakens
van verlangen van zich afgooit en zich traag
bloot aan mij geeft. En zij in zomers woont die
haar op het lijf geschreven zijn, de vijf dagen
van haar maandelijks bloeden telt. En zij
nergens mooier is dan in dit bed, op een
donderdag in mei.
Als zij vertelt wat niemand weet, dat zij
nog vlinders voelt, dat zij mijn adem draagt
in lamsvocht gegoten. Tot zij glimlacht en zich
langzaam in mijn verzen nestelt. En zij voltooid
de ogen neerslaat als ik haar kus en vraag.
Of zij de zin van dit alles begrijpt en van alles de
onzin. Als zij hier,
Als zij nu, gewapend met haar sterkste handen,
De ramen opent voor zichzelf en wat lucht, zij
gelouterd weer eens in het niets verdwijnt. En
gaat en komt en gaat. En terug. Tot in haar
diepste rimpels zij de sporen van haar groeien
volgt,
Gracieus en jonger dan ik haar gevonden heb.
En van het sterven alle uren kent.
Dan. Maar eerder niet.