Autistisch meisje van vijftien
Haar opgetrokken schouders :
een kapstok, waaraan zij de hele wereld
als een afgedankte jas laat hangen.
Haar handen :
twee gevallen bladeren,
waarvan elke wijsvinger rust
tegen de slinger van de tijd.
Haar ogen
onder een huif van mist,
waarin soms een lichtje oplicht,
om een zoete fluistering in het oor,
een streling langs wang en hals
of een speelse hand in haar hand.
Zij lijkt wel een egel :
een bolletje warmte met duizend stekels,
opgerold tot in de moederschoot.
Opdat zij zou overleven
in deze voor haar overbodige wereld,
wil ik haar naam schrijven
op het duurste papier,
schilderen
op een doek van pure zijde
of beeldhouwen
in een steen van graniet.
Haar naam :
Kaatje, Petra, Anna, Leentje,
Lotje, Rozemarijn of Annelies,
Elsje, Roosje, Jasmijn of Buitenbeentje, -
zoveel meisjes in de draaikolk
van het Niemand en het Niets.
Van deze draaikolk wil ik zijn :
de as waarrond zij stuurloos wiekt
en voorkomen dat zij zich
- een vlinder beladen met duizend dromen
tegen het raam van het leven
te pletter vliegt.